|  |  | Campagne, Fractie, Kabinet, Minister, Oppositie, Staatssecretaris en Verkiezingen zijn woorden die veel in de politiek worden gebruikt. Maar wat betekenen ze ook alweer? |  |
|  |  | | Campagne - Voor de verkiezingen maakt elke partij heel veel reclame voor de eigen standpunten om zoveel mogelijk stemmen te werven. Met posters, toespraken, met folders, met vlaggen en pennen. We noemen al die acties samen (verkiezings) campagne. Demissionair kabinet - Een kabinet dat ontslag heeft gevraagd aan de koningin, maar nog niet heeft gekregen. Een demissionair kabinet blijft regeren tot een nieuw kabinet geformeerd is. Het huidige kabinet Balkenende III is tot de verkiezingen van 22 november een demissionair kabinet. Eerste Kamer - In de Eerste Kamer zitten 75 leden. De Eerste Kamer moet wetten goedkeuren nadat ze door de Tweede Kamer zijn aangenomen. De leden mogen de wetsvoorstellen niet meer wijzigen en geen eigen wetsvoorstellen indienen. Formateur - Een formateur zoekt geschikte ministers en staatssecretarissen. Deze vormen samen de nieuwe regering Formatie - Het vormen van de nieuwe regering. De taak van de formateur. Fractie - Die leden van een politieke partij die samen in de Tweede Kamer zitten vormen een fractie. Informateur - Een informateur gaat na de verkiezingen met alle politieke partijen praten om uit te vinden welke partijen samen de nieuwe regering kunnen en willen vormen. Informatie - Onderzoek welke politieke partijen met elkaar een nieuwe regering kunnen en willen vormen Jongerenpartij - Dit is een politieke organisatie opgericht door jongeren, die opkomt voor eigen standpunten en meningen. Zij staan meestal los van de politieke partijen, maar werken wel samen. Zo zijn er de Jonge Socialisten (PvdA), de JOVD (VVD) en PerspectieF (ChristenUnie). Kabinet - Het kabinet bestaat uit ministers en de staatssecretarissen. Ze komen uit de partijen die in de regering zitten. Een ander woord voor kabinet is regering. Minister - Een minister heeft de verantwoordelijkheid over een ministerie, waar ambtenaren werken. De minister maakt nieuwe wetten en zorgt er voor dat wetten goed worden uitgevoerd. Ministerie - Het bestuur van een land is verdeeld in verschillende onderdelen, die ministeries noemen. Bijvoorbeeld voor onderwijs, defensie, binnenlandse zaken en landbouw. Oppositie - Kamerleden van een politieke partij die niet in de regering zitten. Op dit moment zitten CDA en VVD in de regering. Alle andere partijen voor de oppositie. Parlement - De Eerste en Tweede Kamer vormen samen het parlement of volksvertegenwoordiging. De 150 leden van de Tweede Kamer worden rechtstreeks door het volk gekozen (tijdens de verkiezingen op 22 november). De 75 leden van de Eerste Kamer worden aangewezen door de leden van alle Provinciale Staten. Politieke partij - Vereniging van mensen die dezelfde ideeën hebben over hoe een land moet worden bestuurd. Politieke partijen doen mee aan de verkiezingen, om zoveel mogelijk vertegenwoordigers in de Tweede Kamer te krijgen. Staatssecretaris - Als er voor een minister te veel werk is, kan een deel worden gedaan door de staatssecretaris. Dat is een soort hulpminister. Stemmen - Op de dag van de verkiezingen met een stembijet of via de computer laten weten welke partij jouw voorkeur heeft. Tweede Kamer - De 150 leden van de Tweede Kamr maken samen met de ministers wetten. Ook controleren zij het werk van de ministes. De Tweede Kamer heeft het recht om wetsvoorstellen te maken, maak ook te wijzigen. Verkiezingen - Bij de verkiezingen mogen (bijna) alle Nederlanders van 18 jaar en ouder stemmen op een partij. Dat doen zij voor de Tweede Kamer op 22 november 2006. Volksvertegenwoordiging - Ander woord voor parlement. De volksvertegenwoordiging controleert de regering.
bron: Alle Stemmen Tellen, verkiezingspakket 2006
|  |
|  |
| |